Zoeken
A A A
headerbeeld

Hoe ga je als christen om met orgaandonatie?

Niet alleen sommige christenen worstelen met vragen over orgaandonatie en transplantatie, ook bij anders- en niet-gelovigen leven vragen. We richten ons nu vooral op drie vragen die bij christenen spelen, maar veel daarvan is ook herkenbaar voor mensen met andere levensovertuigingen.

Is donatie een daad van naastenliefde?

Voor veel christelijke voorstanders van orgaandonatie is de liefde voor – en solidariteit met – de ander een van de belangrijkste redenen om vóór orgaandonatie te zijn. Het leven van mensen kan gered worden omdat een ander zijn hart of long geeft. Het maakt hierbij nog wel uit of je voor of na je dood een weefsel of een orgaan afstaat. In het eerste geval – bij leven – kun je bij bewustzijn een daad van naastenliefde doen. Je draagt daarvoor zelf de consequenties. In het tweede geval – na de dood – ben je jezelf niet meer bewust van het offer dat je brengt. Dan vraagt orgaandonatie ook veel naastenliefde van de nabestaanden. Voor hen kan de periode van het afscheid verstoord worden door de medische handelingen rond het uitnemen van de organen.

Mag je je lichaam op die manier inzetten?

Een volgende punt om te bespreken is hoe je aankijkt tegen de integriteit van het lichaam. Je hebt je lichaam en je leven van God gekregen. In hoeverre is je lichaam zo persoonlijk dat het alleen jezelf toebehoort? Staat het je vrij om een deel daarvan aan een ander te geven? En zo ja, maakt het nog uit op welk moment: is het bijvoorbeeld anders als je bij leven een deel van jezelf weggeeft dan na je dood? En maakt het nog uit welk deel: heeft een hart bijvoorbeeld een andere ‘waarde’ dan weefsel van de huid?

Er wordt onder christenen heel verschillend gedacht over deze lichamelijke integriteit. Volgens de een ligt de zeggenschap over het lichaam bij de Schepper, voor én na de dood. Volgens de ander mag je het geschapen lichaam juist inzetten om anderen te helpen en daarmee de Schepper te eren. Een eenduidig antwoord kun je hier niet op geven.

Het is goed om te beseffen dat de mate van ‘aantasting’ van een lichaam erg afhangt van de vorm van donatie. Onder donatie tijdens het leven valt bijvoorbeeld het geven van bloed. Lang niet iedereen ziet dit als een aantasting van de lichamelijke integriteit. Het lichaam maakt dit immers zelf opnieuw aan? Dit ligt alweer heel anders bij het geven van een nier. Je lichaam kan wel zonder, hoewel het risico op nierfalen iets hoger is, maar donatie is ingrijpend. Je bent letterlijk een deel van je lijf kwijt. Bij donatie na de dood is er meestal sprake van een nog ingrijpender aantasting van het lichaam. Je kunt dan levensbelangrijke organen zoals hart en longen afstaan. Tegelijkertijd leef je niet meer: in die zin ervaar je zélf geen aantasting meer van je integriteit.

Een Bijbels antwoord?

Bijbels gezien is er geen eenduidig antwoord te vinden op de vraag naar de lichamelijke integriteit. De Bijbel spreekt wel een duidelijke waardering uit voor het menselijk lichaam: niet alleen je geest, maar ook je lichaam is waardevol. Tegelijk zal het lichaam na de dood tot stof vergaan: het is ook betrekkelijk. Een huiver die bij sommigen leeft, is of het wegnemen van organen van invloed is op het  opstandingslichaam waar de Bijbel over spreekt. Maar volgens de Bijbel krijg je bij de wederopstanding een nieuw en ander lichaam. Je kunt je afvragen of je oude lichaam na de dood intact moet blijven, of dat je delen ervan juist mag inzetten om een ander het leven te redden.

Donatie en het stervensproces

Een laatste punt waar je over na kunt denken is het stervensproces. Als je na je dood organen of weefsels afstaat, worden deze kort na het overlijden weggehaald. Dit kan ingrijpend zijn voor de nabestaanden. Sommige christenen vinden dat je gepaste afstand moet houden op het moment dat iemand de grens van leven en dood overgaat. De Bijbel zelf doet hier geen duidelijke uitspraken over. Dit is een punt dat je als orgaandonor vooraf met familie en vrienden kunt bespreken. Het kan rust geven om je visie op het stervensproces en de dood met elkaar delen. Zo voorkom je dat je naasten bij een overlijden geconfronteerd worden met een stervensproces dat anders loopt dan ze verwacht of gedacht hadden.

Heartbeating donor of non-heartbeatingdonor

Bij een non-heartbeating donor – iemand van wie het hart niet meer klopt – hebben de naasten meer of minder ruimte voor het afscheid, afhankelijk van het te doneren weefsel of orgaan. Als de overledene weefsels afstaat, hoeft dat niet altijd meteen te gebeuren. Dit kan bovendien soms buiten het ziekenhuis plaatsvinden, thuis of in het mortuarium. Dat maakt dat er meer ruimte is voor het stilstaan bij het overlijden.

Bij het afstaan van organen moet de overledene in het ziekenhuis gestorven zijn. Bij het verwijderen van de organen is dan haast geboden. Dat kan emotioneel zwaar zijn voor de nabestaanden. Bij een heartbeating donor – iemand bij wie het hart kunstmatig op gang gehouden wordt – ligt het afscheid anders. Er is dan vaak genoeg tijd rond het overlijden.
Een moeilijk punt voor nabestaanden kan zijn dat ze afscheid nemen van iemand bij wie het hart nog kloppend wordt gehouden. De patiënt is overleden omdat hij hersendood is. Maar het kan voelen alsof de patiënt nog leeft op het moment dat hij naar de operatiekamer gaat voor het uitnemen van de organen.

Bovendien bestaat er bij sommigen twijfel over het hersendoodcriterium: is iemand wel echt overleden als hij hersendood is? Het kan lastig zijn voor de familie om een geliefde dan los te laten. Lees verder over hersendood.

Naar de themapagina over orgaandonatie

Wilt u toestemming geven voor cookies?

De NPV maakt gebruik van cookies om het gebruik van de website te analyseren, om het mogelijk te maken een reactie via social media te plaatsen en om de ingevulde contactformulieren op de juiste wijze te kunnen verwerken. Hieronder kunt u toestemming geven voor het plaatsen van cookies. Wilt u meer weten over uw privacy bij de NPV? Lees dan de privacy- en cookieverklaring of neem contact op via privacy@npvzorg.nl.